volgens Aad de Haas

Dit is een schilderij van Aad de Haas. Momenteel toont de Kunsthal het werk van deze Rotterdamse kunstenaar, die in de oorlog vertrok naar Limburg. En er niet meer wegging. Ik kende deze schilder niet. Zijn werk sprak me zeer aan. Ik hou van ontmoetingen. Welnu, hiernaast ziet u een ontmoeting tussen een stier en een hond. We kunnen ons afvragen waar de stier en de hond elkaar hebben ontmoet. Of ze elkaar vaker hebben gezien. Of ze wellicht op dezelfde plek wonen. En wat wisselen hun blikken uit. De stier is groter en sterker maar lijkt zich hiervan totaal onbewust. De hond is onderdanig en kijkt omhoog, naar de stier. Ik heb het idee dat de stier een poging doet om vrienden te worden: ‘Hé, hallo, hond.’ En misschien denkt de hond: ‘Eh… je hebt de verkeerde voor je…’ Is dit de taal tussen een stier en een hond? Of spreken ze met elkaar in geuren, in gesnuif, in een klapperend oor of een wapperende staart? Of horen ze elkaars poten schrapen in het zand?
Enfin, in de Kunsthal zie je deze prachtige ‘doezelige’ schilderijtjes met droomvoorstellingen. Maar ook oorlogstaferelen. En later, na zijn scheiding, ach ja, altijd na de scheiding… schilderde De Haas een serie pornografische werken; je ziet hem op een grote hoeveelheid panelen in allerlei standjes met zijn nieuwe vriendin. Deze pornografische serie riep veel kritiek op van vrienden, van gelovigen, etc.etc. Altijd hetzelfde. De seks komt “na de scheiding.” En daarmee begint  de “kritiek vanuit de vriendenkring en de familie.”

Geplaatst in cultuur | Getagged , , | Een reactie plaatsen

een verliefde cello

Na mijn eerste werkdagen zoek ik de hond. Ook hij moet wennen, na twee weken vol extra wandelingen en vele hapjes van oliebollen en kerstbrood. Ik tref hem op een ongebruikelijke plek; op het logeerbed, bij de radio. De radio staat daar zacht aan, op de klassieke zender. Voor deze hond. Opdat het hem zou troosten en geruststellen, die lange, eindeloze werkdagen die hij niet begrijpt, die hij wegslaapt met dromen van konijnen en mollen, van zandhopen en weilanden vol zon en dauw. Toen hij een puppie was, van amper acht weken, toen heb ik het ontdekt: deze hond wordt gelukkig van Chopin, van Mozart, en van Bach. Wanneer ik een klassiek concert opzette, dan ging hij rechtop zitten, en zijn puppiekop ging scheef, en zijn puppie-oren gingen als knisperende chips de lucht in. Zo zaten we dan, stil, beide verbaasd over de ontdekking van de schoonheid, die het leven hier op aarde ook herbergt. We zaten maar wat; dom te luisteren naar een treurende viool of een stervende piano, een gekwelde bas of een verliefde cello. Mijn hond hield dus van klassiek. Hij is nu acht, en ik heb hem leren genieten van vele andere muziekstijlen. Hij kan meedansen op Afrikaanse ritmes, hij verstaat de vrijheid van een jazz-improvisatie, en hij weet oude soul instemmend te waarderen. Net als paardebloemen trouwens. Tijdens een van onze eerste middagen, in de tuin, zat hij opeens achter me, heel stil, met een paardebloem tussen zijn tanden, en die gaf hij mij. Enfin, dus tegenwoordig laat ik de radio voor hem aan. Onafgebroken kan hij luisteren en wegdromen. Bij het geluid van mensen die vele malen nuttiger werk hebben volbracht dan ik ooit zal bereiken. Want alle muziek gaat naar het hart. En deze stukkies… gaan uiteindelijk naar de delete-knop.

Geplaatst in dieren | Getagged , | Een reactie plaatsen

taarten vol traanzout

“Ik wilde dat je perfect zou zijn. Daarom wilde ik je niet leren kennen, want ik wist dat ik dan je sores zou zien. En het bleek dat ik gelijk had.” Zo eindigt Joseph zijn liefdesbrief aan Hannah, die we hebben leren kennen als een lieve, warme vrouw vol goedgelovigheid. Maar die nu in de gevangenis zit. Nadat ze haar man heeft vermoord. Omdat hij glassscherven in haar duwde en haar daarna verkrachtte. Zodat ze onvruchtbaar zou zijn. En Joseph zelf zegt: “Ik ben geen aardige man. Niemand is veilig bij mij.” De meeste mensen mijden hem. Eén verkeerd woord en hij slaat je tot moes. Eén verkeerde beweging… en hij heeft zijn hond doodgetrapt. De rillingen lopen over mijn rug. In de film Tyrannosaur zie de ene na de andere gewelddadigheid tussen kennissen, vrienden, geliefden en familieleden. Vernedering op vernedering. Volgens Joseph kun je erop wachten dat een hond je dan uiteindelijk zal aanvallen. Iedereen valt iedereen ook zo’n beetje aan in Tyrannosaur; ik heb zitten huilen om de grappen tussen partners, de verwaarlozing van ouders naar hun kind, de spelletjes van mensen met hun huisdier. Maar wat heb ik ook genoten. Joseph mag dan een klootzak zijn, hij ontwikkelt zich toch tot een klootzak waar je compassie voor hebt. En Hannah is zo’n gelovig trutje dat taarten bakt, maar wat een eenzame, mishandelde, onteerde taarten – vol traanzout.

Geplaatst in mensen | Getagged , , | Een reactie plaatsen

roe

Witte duiven symboliseren vrede en hoop. Stadsduiven symboliseren armoede en verval, vooral rond oude kantoorgebouwen of stations. En een mix van die twee… zeg maar een halfbloed duif. Dus een stadsduif en een witte huisduif hebben seks. En dan. Al maanden hangen hun jongen rond het flatgebouw. En inmiddels zijn er alweer nieuwe jongen gekomen. Roe roe roe is een vertrouwd geluid in de luchtkokers op het dak. Soms, als de wind om het dak loeit, dan hoor je daar doorheen heel zielig: roe roe roe. De duiven nemen bij alle balkonnetjes een kijkje. Ook bij mij. Ze kijken met kraaloogjes naar de vetbollen die ik hoog aan de waslijn heb gehangen. Ze kunnen er met hun logge lijf niet bij. Als ik hen zie, jaag ik ze weg. Want iemand zei ooit: “Als je eenmaal een duif hebt, heb je jarenlang hun gezinnen er gratis bij.” Uiteindelijk vliegen de jongen uit. Maar een van hen blijft achter en keert terug naar mijn balkon. Hij valt per ongeluk in slaap op mijn plantentafeltje. Op een avond, als ik mijn zoon naar bed breng, ontdek ik hem in het halfduister. Hij staart dromerig voor zich uit. Ik tik op het raam. Maar hij weigert te vertrekken. Hij trekt zich ook niets van mijn woeste armgebaren aan. Roe roe roe, klinkt het. Na enkele kerstweken ligt het balkon vol poep, in kleine tortellini’s gedraaid. De schrik slaat me om het hart. Armoe en verval… leegstaande gebouwen… jarenlange overlast van stadsduiven… ook wel vliegende ratten genoemd… smerige bacteriebommen… Elke dag zit hij daar. Een mix van witte veertjes en stadse grauwe kleuren. Zo tam als wat. Staart me aan en wijkt geen millimeter. Het plantentafeltje bezaaid met tortellinipoep. De klapstoeltjes ernaast nu ook. De betonnen vloer… in een mum van tijd druipt alles van de schijt… en de vetbollen hangen roerloos en on-geconsumeerd aan de waslijn; geen koolmees waagt zich nog nabij. En ik ben verbaasd hoe snel het gaat; anonieme stadsduif wordt balkonbewoner, kruist mijn zoekende blikken, en voilá, ik wil opeens dat hij het goed heeft. Misschien toch een bakje voer neerzetten? Een hok bouwen tegen de gure wind? Waterfles achterlaten? Zit hij er nog? Slaapt hij of ziet hij ons? En dan, op een ochtend, is hij verdwenen. Symbool van vrede en hoop en stads verval vliegt uit. Ik luister of ik in de omgeving nog iets hoor. Roe roe roe. Dieren zijn lief. Maar het liefst heb ik een onbescheten balkon. Met kleurige geraniums ofzo. Of potten basilicum en tijm en munt. Zonnetje erop. Hommels brommen in de oude bloempotten. Lente. Hoop en vrede.

Geplaatst in dieren | Getagged , | Een reactie plaatsen

een interessante oppasoma

Na ruim een jaar lukt het R. en mij eens om af te spreken. In een kerstkaart schreef ze: “Misschien heb je een keer een uurtje over, tussen de interessante dingen en mensen die je ontmoet.” Ze weet waarschijnlijk niet dat zij juist een van die interessante mensen is om te kennen. R. heeft een uitgesproken mening, wellicht ingekleurd door een Rotterdamse oorsprong. Niet over literatuur of politiek. Maar over haar zeldzame geraniums, die nu al vele jaren de winters doorstaan, dankzij haar groene vingers. En ze heeft ook een mening over de buurvrouwen van een galerij verderop. Die moeten hun mond namelijk eens houden, en niet zo snel over elkaar oordelen. Hoe ouder je wordt, hoe meer je gaat terugkijken en herinneringen ophalen. R. en ik kennen elkaar al twintig jaar. We roeren in onze koffie, zij maakt de beste cappuccino’s, en we rekenen de jaren terug; ik was zwanger van mijn oudste zoon en R. leefde mee tijdens onze vele lange wandelingen met onze Jack Russell terriërs. We banjerden door de omliggende parken en weilanden en bespraken de verschillen tussen fles- en borstvoeding. We wisselden recepten uit; R. was getrouwd met een fransman, en ze bracht elke zomer nieuwe kooktips mee uit Frankrijk. Later paste zij een dag in de week op, op mijn oudste zoon. Die liep in die dagen rond met een emmer op zijn hoofd. In het boek Dolfje Weerwolfje loopt de vader des huizes trouwens met theemutsen op zijn hoofd. R. heette mijn zoontje altijd welkom, met of zonder emmer. In haar piepkleine benedenhuisje met bloementuintje stond een campingbedje klaar. Zij heeft die tijd heel anders beleefd dan ik. Ze genoot van mijn stoere, ondernemende babyknul, terwijl ik met een postnatale depressie zat te huilen bij een psychologe die me adviseerde om voorlopig eens ‘aan mezelf te werken’. Mijn debuutverhaal in Hollands Maandblad (2007) ging over de desillusie van dit beginnend moederschap.
Nu is het bijna twintig jaar later. Vele levens heb ik geleefd. Er volgde een nieuwe relatie, en er kwam een broertje. Ook op hem paste R. Toevallig zijn dit broertje en R. beide op dezelfde datum jarig. Hun karakters, gekleurd door het teken van de Schorpioen, tonen overeenkomsten die ze zelf misschien liever kwijt dan rijk waren. Verlegen, stil, introvert, teruggetrokken. Enfin. R. is dus zo’n oppasoma die op vele momenten in mijn leven langswaaide en een rol van betekenis vervulde. Haar stille wijsheid stemt soms tot nadenken. Vandaag hebben we gepraat. Over ditjes en datjes, over de liefde en de haat, het leven en de dood. Ik ben weer op de hoogte, klaar voor de volgende ontmoeting…

Geplaatst in mensen | Getagged , , , | Een reactie plaatsen