De Stacaravan is dood. Mijn voormalige chef vertelde het. Drie weken geleden, voegde hij eraan toe. Omdat ik niet verdrietig of in de rouw raakte, zweeg ik een moment. En hij ook. De dood dwingt hoe dan ook respect af. Ook bij de Stacaravan. In de tijd dat ik bij de benzinepomp werkte, in 2008, haatte ik haar openlijk. We hadden harde woordenwisselingen, waarbij ze doodkalm zei: ‘De stofzuiger doet het namelijk wel.’ Omdat ik tegen een klant volhield dat de stofzuiger kaduuk was. Niet voor de Stacaravan. Zij was een vrouw uit een stuk. Keihard. Niets ontziend. Er tegenaan. En dat urenlang. Als ik achter de kassa in slaap viel, grinnikte zij: nog maar zes uur, joh. En vervolgens ging ze verder met poetsen van het magazijn, zodat ik in mijn uppie achterbleef bij de kassa. Wat een rotwijf. Ze stortte zich op ons filiaal en was er snel deel van het meubilair. Wij wilden haar eruit, maar ze nam haar vaste contract mee uit het filiaal Vlaardingen. Daar moest ze weg vanwege allerlei ziekteverlof. ‘Abcessen,’ zei ze tijdens een rookpauze. En ze wees op haar dijen. Wij vroegen niet verder, maar begrepen de ernst. Er kwamen nog vele kwalen. Griezelige kaakaandoeningen. Raadselachtige enkelkneuzingen. Maar altijd krabbelde de Stacaravan weer overeind, en ging door. Op een gegeven moment had ze zoveel overuren gedraaid dat ze wel een jaar met vakantie kon. Maar dat deed ze niet, want de belasting zat achter haar aan; ze had een berg geld uit een kroegverleden verdonkeremaand. Inmiddels was de schuld opgelopen tot zeventigduizend euro. Daarbij vielen mijn geldproblemen even in het niet. En zo kregen we alsnog een band. Ze bracht Eftelingspaarpunten voor me mee, zodat ik een uitje had die zomer. Budgetteren, een nieuw woord, dat leerde ze me: ‘Eerst al je mobiele abonnementen tegen het licht houden en opzeggen. En daarna ga jij ook naar de Lidl.’ Ze knipoogde. ‘Meid, je zal zien, de karbonaadjes zijn daar even goed en stukken goedkoper.’
Voortaan hadden wij een aanknopingspunt. De boodschappen. Geld. Gebrek. Slim worden. Ze kreeg een naam: Petra. Ze kocht als eerste collega mijn debuutroman, eind 2008. En ze kwam een week later stralend naar de kassa: ‘Meid, jij kan schrijven, wat een goed boek!’ Ik bedankte beleefd. En we voegden elkaar toe op Hyves. Petra bleek een privéleven te hebben dat verder reikte dan de Lidl. Een man, een zoon en een dochter. En alvleesklierkanker. Het werd een half jaar geleden geconstateerd, allang nadat ik elders was gaan werken, in het onderwijs. Op Hyves zag ik nog eens een wiewatwaar langskomen van haar: de operatie ging goed, nu fijn naar huis en vol goede moed verder. Weer een paar maanden later was haar Hyvespagina verdwenen. Petra zei ooit: ‘Als ik weg moet bij Shell, ga ik gewoon weer werken in de supermarkt; maakt me niks uit.’ Ze hoeft niet meer achter de kassa. Of te sjouwen met kratten. Ze hoeft ook nooit meer de rode en de blauwe reinigingsdoekjes uit elkaar te houden. Petra kreeg levenslang verlof, in een kist. Precies drie weken geleden.

De dood van Petra

Berichtnavigatie


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.