Op mijn 13e kreeg ik van een huisvriend de verhalenbundel De gelukkige prins, van Oscar Wilde. (De vriend schreef ook een liedje in mijn poëziealbum, over de spin die in zijn web hing te hangen en tevreden was omdat hij mij had gevangen.) De gelukkige prins is een standbeeld dat over de stad uitkijkt en veel verdriet ziet. Elke dag geeft hij een kleine zwaluw de opdracht iets van zijn bladgoud af te pellen en bij ongelukkige mensen te brengen. De zwaluw is op doorreis naar Egypte, maar voert de opdrachten uit en voelt zich steeds rijker en gelukkiger op de schouders van de prins. Tenslotte pikt de zwaluw huilend de edelstenen-ogen van de prins uit om ze aan een arme toneelschrijver te geven; in zijn blindheid vertrouwt de prins nu volledig op de kleine zwaluw. Die krijgt het steeds kouder en voelt dat hij zal sterven, maar besluit bij de prins te blijven. Dramatisch einde: de zwaluw sterft en het ijdele stadsbestuur laat het vervallen standbeeld samen met het vogellijkje afvoeren naar de vuilstort. Daar draagt God zijn engelen op om hun gloeiende harten naar de hemel te brengen. Dat van God heb ik nooit geloofd. En dat de prins en de zwaluw bereid waren te sterven voor het geluk van de ander was minstens zo ongelofelijk. Misschien bracht het me daarom tot bitter geween.

De gelukkige prins

Berichtnavigatie


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.