Voor dag en dauw spring ik op de fiets. Naar de tram. Werken. Ik spurt door mijn straatje, waar iedereen nog slaapt, behalve een enkel schoolbusje. Ik kijk naar de tegels. Er ligt een opgevouwen briefje. Ik roep hela, hola en maak rechtsomkeert. Remmen,  afdalen, briefje oprapen. Hela hola tien euro gevonda.
Het zou – in mijn omstandigheden – te makkelijk zijn om dit als een goddelijk gebaar te zien. Ook in goede tijden vond ik immers weleens een tientje. Het eerste tientje dat ik vond, lag bij de Gorcumse wallen waar ik opgroeide. Het was knalblauw, met een vreemde ridder erop. Ik huppelde met mijn paardestaart naar huis, het peperdure blauwe briefje in de hand. Ik vroeg of ik dit gevonden voorwerp naar de politie moest brengen. Mijn moeder zei welnee, ben je gek.
Ook vandaag, nog voor 8 uur ‘s morgens kijk ik of de eigenaar van dit briefje spottend in de buurt is. Want dat verandert de zaak van goddelijke hand naar duivels dilemma. Zoals de keer dat ik 50 euro vond, bij de benzinepomp waar ik in 2008 werkte, met Arie. Arie had de diploma’s van een straatschoffie maar de allure van een rayonmanager. Dus toen ik het biljet van 50 euro bij de toonbank vond, zei ik meteen braaf: Arie, kijk nou, wat doen we hiermee?
Arie griste het geld uit mijn hand en mompelde: als er over een kwartier nog niemand voor is, weten we verdomme van niks. Denk erom, je mond stijf dicht houden. Hebben we een goede fooi vandaag.
We legden het gele biljet bij de fooienpot en togen aan het werk. Het werd een lang kwartier vol boze gedachten. Arie floot. Ik schikte de schappen nog eens. Ook toen voelde ik de waarde van armoede. Bij Shell verdien je zo slecht, dat 50 euro je dag maakt of breekt. Wij telden de minuten en seconden. Aan het eind van onze dienst moffelde Arie 25 euro in mijn jasje. Hier, pak aan.
Ik fiets weer door. Deze tien euro glibbert mijn tas in, nat van de regen. Het lag er dus al langer. Ik ben gerustgesteld en bedenk, in de tram onderweg, wat ik ermee kan doen. Dat is heel veel. Alle groenten bij elkaar voor tien euro. Niet normaal gewoon. Alle gebakjes bij een banketbakker, in een goud-glimmende vitrine. Te gek voor woorden. Het water loopt me in de mond. De ongelofelijke stukken biefstuk voor een super-gehoorzaam hondje. Tegen de tijd dat ik arriveer op Zuid heb ik het al heel vaak besteed. Misschien moet ik het inlijsten. Als herinnering aan deze 36 maanden, (en dus zet ik ook nu geen punt)

de wet van Arie

Berichtnavigatie


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *