Er ligt een aanslag van de gemeente op de mat. Ik krijg geen kwijtschelding. En ook geen betalingsregeling. Al mijn troefkaarten zijn uitgespeeld: bezwaar, beroep, klachtenprocedure, nogmaals bezwaar – niets helpt. Of ik maar heel snel die 499,- euro wil betalen. Want volgens de berekeningen van de gemeente (wie is dat) heb ik voldoende draagkracht voor de afvalstoffenheffing. Vreemd genoeg kreeg ik vorig jaar, onder exact gelijke omstandigheden, wel kwijtschelding. Wat is er veranderd op de Coolsingel? Heeft het te maken met de nieuwe zetelkleuren in de raad? Of is het gewoon de willekeur van ambtenaren die soms wel, en soms niet…?
Van willekeur raak ik in paniek; ik kon me niet voorbereiden op deze klap, onder toch al harde omstandigheden. En toen kwam er deze afwijzing, een mokerslag, zonder vorm van menselijkheid. Paniek.
Een blind, allesomvattend gevoel van dreiging dat een vecht- of vluchtreactie veroorzaakt. Nou, mooi niet bij mij. In plaats van vechten: tranen. In plaats van vluchten: stofzuigen. Tja, als ik het niet meer weet, als ik tegen de muren opvlieg, dan ga ik soms stofzuigen. Zo deed ik dat heel lang geleden… met mijn eerste vriendje.
Het was in een flat waar ik op de katten paste. Van vrienden die ik amper kende. Mijn eerste zomer op mezelf. Ik was net 16. Ik deed alles, maar dan ook alles, om op het juiste uur in de juiste kroeg te zitten, waar mijn held soms binnenstapte. Hij leefde bij de dag, hing rond, hier en vooral daar. Dus de kans dat ik hem kon treffen was nihil. Maar die zomeravond, tropisch heet en volle maan, was hij er. En hij bracht me op zijn brommer naar mijn zomerflat. God, wat was ik verliefd.
Zo verliefd dat ik de idiootste muziek draaide. Send me the pillow that you dream on… Nou, die nacht hoefde hij niets te sturen. Zijn pillow lag naast mij, onder het geleende donsdek. We hebben de hele nacht gezoend, net zolang tot mijn wangen aan gort gingen van zijn schuurpapieren Dalton-kin. En we lagen maar gelukzalig naar het plafond te staren, in een flatgebouw dat bekend stond als de spring-flat.
In die lijkgrijze flat, in de poepbruine buitenwijk, hielden we één nacht van elkaar. Ik was 16, hij 25. Een man van de stad. Van Rotterdam, maar dat was voor mij toen nog een brug te ver. Ik deed geen oog dicht. Omdat ik wist dat het de volgende dag voorbij zou zijn. Hij zou me verlaten en terugsnorren naar de grote stad. Daarom sprong ik ‘s morgens uit bed, en deed iets verschrikkelijks in mijn liefdespaniek: ik greep de stofzuiger en begon driftig de kamer te poetsen. Bezwaar maken in woorden, dat kon ik niet. Stofzuigen ook amper – maar het maakte zoveel herrie dat ik tenminste mijn eigen paniek een paar minuten niet hoorde; dat het zomaar weer overdreef, dat hij vertrok naar het volgende meisje, naar drugs, en zijn leven in de schaduw van de dag. Decennia later, toen zijn relatie was gestrand, stond hij opeens voor mijn neus. Want ja, opeens herinnerde hij zich dat meisje van toen, en zijn nog-niet-uitgespeelde-troefkaart met mij. Maar ik hield kilometers afstand; ik ben misschien failliet – en daardoor soms in paniek – maar inmiddels echt wel klaar met valse jokers.

Rotterdams armoedebeleid

Berichtnavigatie


Een gedachte over “Rotterdams armoedebeleid

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Meld je aan voor nieuwe blogs