Ik besprak met mijn goede vriend Kaj het volgende; het was lang geleden dat er een minnaar was. Dus ik was de codes kwijt. De codes van: doe dat of dat vooral niet. Die lagen in de kluis van mijn jeugd, bijna dertig jaar terug. Zodoende was ik niet voorbereid. Op het spel. Zoals. Dat mannen seks hebben, en hun parkeerabonnement. En vrouwen, die hebben seks, en vervolgens: gevoelens. Dus na een aantal maanden versprak ik me. Ik zei in de knusheid van een moment: wat is het leuk, zullen we dit een relatie noemen. Sindsdien heb ik niks meer van hem vernomen, behalve de laatste woorden toen hij vertrok: we bellen weer.
Ik zei tegen Kaj. “Het woord relatie is zwaarder dan beton.” En Kaj zweeg, zoals gewoonlijk, achter zijn bril. Zijn ontzettend lieve bril. Weet je, Kaj, dat was ik vergeten; doordat ik in de afgelopen vier, vijf jaar meerdere keren bijna doodging. Dus de liefde, het hechten aan de ander, en het verlangen en: openlijk uiten… kortom, het gewone leven, dat vind ik stromend water. Sprankelend en verkwikkend. Want als je de dood in je staart hebt gehad, dan is elke dag iets van zon, ook wanneer het hagelt in augustus. Als de dood je kippevel heeft bezorgd, dan geef je de ander de kus. Het leven duurt korter dan een kus. We knippen met onze vingers en het is klaar. Het afscheid, het weggaan, het ontvallen van dierbaren, het niets. En om dat nog beter te begrijpen begon ik te lezen. In het boek Overlevingskunst, van Christa Anbeek. Die haar ouders, haar broer, en haar geliefde verloor. En dag in dag uit met de dood moest gaan leven. Een mooi boek.

we bellen

Berichtnavigatie


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.