Mijn hond luistert niet. In het plantsoen van het tam konijn bestudeert hij een kuil. Van een afstand wacht ik. Het is koud. Ik roep de hond maar hij drentelt nog steeds rond de kuil. Dan loop ik het veld maar op en hij lijkt blij dat ik erbij kom. De verwarring is duidelijk: hij is gestuit op een kattengraf. Ik kijk om me heen, alsof de poezeneigenaar nog rondloopt. Mijn hond en ik talmen bij het graf. Een zwartwitte kat ligt stijf in de aarde, met een speeltje erbij. Net als de mummies in Egypte, die kregen hun dierbaarste bezittingen mee. De rode handdoek is opzij gewoeld en de aarde, hoe bevroren ook, is uit de kuil gegraven. Waarschijnlijk heeft een andere hond, of een rat, vannacht rondgestruind en per ongeluk het graf opengehaald. De kat ligt ook veel te dicht onder de oppervlakte. Mijn buik krampt licht samen; de dood dwingt stilte af, ook van een onbekende buurtkat. Hoe lang ligt hij hier al? De hele winter? Sinds gisteren? Hij is intact, de vacht is verstijfd maar er is nog geen ontbinding. Onder de snorharen is het roze bekje te zien. ‘Kom, Wiedes,’ zeg ik. ‘We gaan nu.’ Ik krijg hem mee, weg van de plek. Nu wil ik het aan iedereen vertellen. Er loopt een jongetje met een hond aan de lijn. We passeren elkaar en ik zeg hoi. Even verderop passeer ik een vrouw met een wilde pup aan de lijn. Ik groet haar. Aan wie kan ik vertellen dat er een dode, opgegraven huiskat onder de drie kastanjes ligt? Waarom willen we vondsten van leven en dood delen, met elke onbekende. Ik loop zwijgend door. Bij het struikenperk zit ook het tam konijn weer. Ze heeft de kou dus overleefd. Een oude dame komt me tegemoet met haar hazewindhondje. Ik besluit mijn geheim te delen. ‘Er ligt daar verderop een opgegraven kat. Ik ga de reinigingsdienst bellen.’ Ze staat stil en is een en al oor. We moeten weten aan wie we onze geheimen toevertrouwen, dat is alles. De oude dame luistert aandachtig en zegt: ‘Ik heb dat gezien! Met Carla! Al een hele tijd geleden! Twee jongens waren daar bezig een gat te graven, en Carla en ik begrepen niet wat ze deden.’ Ze zwijgt, nu ze beseft dat ze getuige is geweest, weken geleden, van een begrafenis in het plantsoen. ‘Goed dat u gaat bellen,’ besluit ze, en opeens zegt ze: ‘Er zit hier ook een konijn.’ Ik knik. ‘Dat is het tamme konijn, die bruine.’ De dame knikt ook; wij hebben het over dezelfde immigrant. Dan draaien we ons om, zij loopt naar het zuiden, ik naar het noorden. Goedendag. Wij delen nu een tam konijn en een dode kat. Geen slechte opbrengst na een ochtendwandelingetje.

begrafenis in het plantsoen

Berichtnavigatie


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *