Toen ik hoorde dat Gerrit Komrij is overleden, dacht ik aan de bloemlezingen die hij samenstelde van de Nederlandse poëzie; ik groeide ermee op, vouwde de bladzijden om, zocht en vond, las en herlas. En ik dacht aan zijn land over de bergen: Portugal. En zijn slijpende, zeurende stem. Wat leek hij vilein en vals. Maar toen ik hem ontmoette, tijdens een of ander poëziefeestje in Rotterdam, bleek hoezeer ook dat paste bij zijn rol, zijn imago. Want bibberig stond hij naast me, met een glaasje wijn. Beviel de avond hem? Oh zeker, hij had het naar de zin. Ik droeg zijn Kakafonie van de stront bij me, en liet het werk signeren. Een keurige, deftige encyclopedie met anekdotes en feiten over ons leven op de pot. Schijt, poep, en kak. Alle soorten scheten; zakelijk omschreven en toegelicht, van de natte ruft tot de koninklijke knal. We grinnikten erom, hij knikte beleefd, verlegen ook, en ongemakkelijk. Ik was niet bang, want wat was hij innemend. En we dronken nog een glaasje. Later die avond zat hij in zijn eentje aan de bar. Keek onhandig voor zich uit. Een oude man, wachtend op de laatste trein.

de koninklijke knal

Berichtnavigatie


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *